Zondag 15 Januari 2012 om 21:46
Als de communicatie een ramp is...
De afgelopen dagen was ik voor Eurosonic/Noorderslag in Groningen. Vanochtend vroeg ging, na een paar uur slapen al, het brandalarm af. Slaapdronken (slaapdronken, zeg ik toch?) kleedde ik me aan, pakte het broodnodige en stommelde naar beneden. Ik was niet de eerste: bij de voordeur deed iemand vertwijfelde en onhandige pogingen die open te krijgen. Een paar minuten later stonden we buiten, met zijn drieën al, in de kou. De nachtportier kwam even later ook naar beneden en probeerde uit alle macht het (valse, er had een rocker zitten roken) alarm uit te krijgen, wat hem waarempel lukte, zodat we weer konden gaan slapen.
Een mooie training. Ik moest me afvragen wat de vluchtroute was, wat ik nu echt mee moest nemen en me afvragen of ik niet nog wat vergeten was. De arme nachtportier had een mooie ervaring met het uitzetten van het alarm. Allemaal een goeie oefening voor als er echt wat aan de hand is.
Je vraagt je af of ze nu in Moerdijk ook denken "Hadden we maar wat vaker getraind". Niet tot mijn verbazing is ook hier weer de conclusie getrokken dat de communicatie aan alle kanten faalde. In het conceptrapport staat in een prachtige zin dat de gemeente en veiligheidsregio´s "telkens naar bevind van zaken handelden, waardoor de indruk kon ontstaan dat de overheid geen duidelijk verhaal had.". Vooral prachtig omdat alleen maar die indruk ontstond, natuurlijk, maar dat de Overheid natuurlijk wel een goed verhaal had. Zoals ze ongetijfeld achteraf zullen bewijzen.
Helaas moeten we bang zijn dat ook nu weer de druk om daadwerkelijk de communicatie te verbeteren bij en voor (ik zou zeggen "in plaats van") rampen zal leiden tot hoogstens wat kamervragen, een debatje en een nota. Pas als er doden gaan vallen zal er echt iets gebeuren, en dan is het te laat.
En dat terwijl de problematiek bekend is. De bestuurlijke inbedding van de verantwoordelijkheden bij rampen is nog steeds problematisch. In 1999 en 2001/2002 werd al geconstateerd dat de rampenplannen beter moesten. Na het VOPAK-incident in 2003 is er weliswaar extra aandacht gekomen voor rampenplannen, maar in 2006 bleek dat bleek dat gemeenten zich nogal eens fixeerden op het maken van plannen, zonder dat de crisisbestrijding daar noodzakelijkerwijs beter van werd. Plan na plan, rapport na rapport. En telkens dezelfde fouten.
Trouwens, ik vraag me ook af of het al een beetje beter geregeld is met de rampenzenders. In 2005 bleek dat de Zuiid-Hollandse rampenzenders rond Leerdam, in het centrum van Den Haag, het gebied ten westen van de N44 vanaf Leiden gezien, grote delen van de Bollenstreek en het gebied in en rond Alphen niet of nauwelijks bereik hebben. De enige keer dat ik de voorpagina van de Telegraaf gehaad heb, is toen de Minister zei dat de mensen dan maar betere radio's moesten kopen, en ik dat vergeleek met de beroemde, maar ten onrechte aan Marie-Antoinette toegeschreven uitspraak dat de mensen maar brioches moesten kopen als het brood te duur was. Het heeft overigens wel tot Kamervragen geleid, toen.
Slechte communicatie van bestuurders leidt tot verder wantrouwen in de politiek. Soms is dat terecht. Immers: Slechte communicatie bij risico's kan leiden tot gevaarlijke situaties. Slechte communicatie bij rampen kan leiden tot verlies van mensenlevens. Bestuurders moeten zich beter realiseren dat ze daarvoor verantwoordelijjk zijn, en niet voor de checklist waarop een vinkje staat achter het woord "rampenplan".









Een goed 2012 gewenst! Ik hoop dat 2012 een jaar van vrede en tolerantie mag zijn. Die horen wel een beetje bij elkaar, want voor een beetje vrede moet je dingen een beetje kunnen laten gaan. Nu behoor ik niet tot de kerk die zegt dat je alles maar op zijn beloop moet laten, maar met een beetje meer flegmatiek, wat vaker de vraag stellen "hoe erg is dit nou?", en jezelf constant afvragen of je nu wel echt dingen vindt, of dat ze nu eenmaal (niet) in je straatje passen en daarom een hernieuwde reden hebt om boos te kunnen zijn, of op een andere manier je gelijk nog eens te halen, maakt het leven een stuk aangenamer.
Mijn ene grootvader was diamantair. Op zijn zestiende kreeg hij een eigen fabriek van zijn vader. Hij bouwde gestaag een imperium uit en bezat op zijn veerigste kloverijen in Amsterdam, Antwerpen en Kaapstad. Na zijn pensioen onderhield hij vanuit zij huis aan de Gironde een groot aantal kunstenaars, maar hij gaf ook geld aan rebellen in Zuid-Amerika, terwijl hij tegelijkertijd een aantal Ministers van Buitenlandse Zaken adviseerde over het bestrijden van deze opstandelingen. Mijn andere grootvader was een nazaat van bootleggers die vanuit Canada geld hadden verdiend aan de drooglegging in de Verenigde Staten. Hij was Hoogleraar Indisch Recht aan de Universiteit van Leiden. Tegen zijn emeritaat trouwde hij een mooie maar rijke en jonge adelijke weduwe en kocht een aantal bakkerijen. Vlak voor de oorlog verplaatste hij de industrie naar Noord-Afrika, Zwitersland en Oezbekistan (!) en vergaarde verder kapitaal door onder zeer moeilijke omstandigheden maar tegen een schappelijke prijs verpakt brood te verkopen aan de geallieerden. Hij heeft er later de Four Freedoms Award voor gekregen en als enige niet-soldaat ooit, de Militaire Willemsorde.
Het is makkelijk om meewarig naar onze zuiderburen te kijken. Het aandoenlijke taaltje, de onverzorgde wegen, de trieste staat van het Waalse platteland waar men de kinderen nog authentiek met de hand mishandeld. Het fritkot, Eddy Wally en een Bakske vol met Stro. Het is allemaal even goedbedoeld en knullig. Het lijkt erop alsof buiten de tradionele winnaar van iedere taalquiz en Kabouter Wesly niets goeds uit dat voormalig stukje Nederland komt. We hadden net zo goed thuis kunnen blijven tussen 2 en 12 augustus 1831, want van onze rebellerende aanhangers van het Koningshuis van Saxen Coburg hebben we te vrezen noch te leren.
Het is Movember, de maand die vroeger bekend stond als November en die nu bestemd is om snorren te laten groeien, bewustzijn te creëren en geld in te zamelen voor de gezondheid van de man, in het bijzonder voor prostaatkanker. Ik stel mijn bovenlip gedurende 30 dagen ter beschikking om gezondheid en welzijn van mannen onder de aandacht te brengen. Mijn Mo (Snor) zal het onderwerp van gesprek zijn en zal ongetwijfeld lachsalvo’s opwekken, dit alles om mensen bewust te maken en om geld in te zamelen voor onderzoek naar prostaatkanker.
Een opmerkelijke uitkomst van het debat over Mauro gisteren: het CDA is niet verantwoordelijk voor het direct uitzetten van de jongeman, de minister blijft uitvoeren wat binnen de gedoogverhoudingen aanvaardbaar is, en de oppositiepartijen konden zich keren tegen het beleid waar ze soms zelf mede-verantwoordelijk voor waren, maar wat nu opeens een gezicht kreeg.