Zondag 24 Juni 2012 om 22:20

Never change a winning team

Eén van de grootste dilemma's in de politiek is dat van de opvolging. Bijna per definitie vinden politieke ambtsdragers dat ze het zelf fantastisch doen, en is er dan ook geen automatische reden om hen te passeren voor een volgende functie. Aan de andere kant is het wel verstandig dat er nieuwe mensen op bestaande plekken komen. Altijd diezelfde koppen is ook zo wat. Bovendien is één van de klassieke taken van een politieke partij, zo weten mensen die bij Bart Tromp politicologie gestudeerd hebben, het opleiden van gezagsdragers. 

Het is dan ook interessant om te kijken hoeveel nieuwe gezichten de politieke partijen voorstellen voor de komende verkiezingen. De verschillen zijn enorm.

De VVD heeft een eerste nieuweling pas op plaats 20. Bij de eerste 30 ziten maar vijf nieuwe mensen. Een stem op de nieuwe VVD is dus een stem op de oude VVD.

Ook bij de Partij van de Arbeid staan bij de eerste 25 maar vier nieuwe namen. "Never change a winning team" zullen ze gedacht hebben. Opmerkelijk vind ik dat er geen zittende kamerleden op een écht onverkiesbare plaats staan. Ik leid eruit af dat mensen die laag geplaatst zijn er niet erop vertrouwen dat ze met voorkeursstemmen gekozen zullen worden. 

De nieuwe gezichten hebben bij de PvdA een hogere plaats gekregen dan bij de VVD: de eerste staat al op plaats negen. Nieuwelingen met een baan proberen wel vaker een hoge plaats te bedingen; het is natuurlijk vervelend als je jaren als opvolger op het vinkentouw zit; sommige mensen willen helemaal liever niet dat bekend wordt dat ze wat anders zoeken, totdat ze het met zekerheid kunnen zeggen.

Dit laatste is bij het CDA gebeurd. Een relatieve aardverschuiving: maar liefst zeventien van de eerste 25 kandidaten zijn nieuw. Eén van de kandidaten bleek kort na het bekend worden van de conceptlijst een burgemeesterschap te verkiezen. Zeker met het kleine aantal Kamerleden dat blijft is het op zijn minst opmerkelijk. Maar ook hier geldt dat ambities niet te vroeg bekend mogen worden. Ook opmerkelijk is dat het CDA profiteert van eigen kweek; nogal wat van de nieuwelingen hebben al politieke ervaring opgedaan. 

Nu is het ook niet makkelijk: het vullen van de lijsten bij veel partijen verworden tot het invullen van een sudokupuzzel. De eisen zijn: ongeveer evenveel mannen als vrouwen, alle regio's vertegenwoordigen, wat kleur, een jurist, een econoom, iemand die iets van het buitenland weet, het liefst nog een homoseksueel, zodat niemand kan zeggen dat we gemeen zijn en dan nog iemand die authentiek overkomt. Politieke ervaring, of, nóg erger, politieke overtuigingen zijn een diskwalificatie, want de strategie is in goede handen bij degenen waarbij de strategie in goede handen is.

Dat is de dood in de pot. Als je 45 bent en je bent geen lid van een politieke partij, je hebt nooit een verkiezingsavond bezocht, je hebt niet geflyerd of gedemonstreerd, misschien vind je politiek dan gewoon niet zo leuk, en moet je je afvragen of het wel een vak voor jou is. 

Op lokaal gebied, in de NGO's, op de universiteiten en de weet-ik-wat-voor organisaties lopen heel veel getalenteerde mensen rond, die heus wel de kamer in zouden kunnen. Zolang er niet geselecteerd wordt op kwaliteit, zolang mensen niet opgeleid worden, zolang mensen geen risico's meer durven te nemen, zolang zal de politieke sfeer verder verslechteren. Politieke partijen moeten meer investeren in het talent dat in grote mate aanwezig is. Het lijkt erop alsof het CDA daar het meest in slaagt, al kan je je afvragen of een fractie die voor twee/derde uit nieuwelingen bestaat wel de ervaring en slagkracht biedt om na de verkiezingen vol de formatie in te gaan. Net iets meer ervaring zou wel goed zijn. Het is dapper van het CDA dat het zo vernieuwt, maar te veel van het goede is ook niet goed.

Vrijdag 22 Juni 2012 om 15:43

Over die medaille

In de late lente van 1977 moest mijn broertje geboren worden en logeerde ik bij mijn vriendje Onno Vijsma op de Vierde Groenesteeg in Leiden. Het was een knus huis: een creatieve omgeving met veel schilderijen, tekeningen, knutselwerken en plastic nepdrollen. Terwijl er een paar kilometer verdop op de ooievaar gewacht werd, volgden wij dat andere nieuws: dat van de kaping van de trein bij De Punt en de gijzeling van een school in Bovensmilde.

Deze gebeurtenissen hadden grote impact op me. Ik weet nog dat ik dacht dat als je op een school al niet veilig kon zijn: waar dan wel? En jaren later nog, als de trein stilstond tussen twee stations, dacht ik "Dit is een goede plek om een trein te kapen".

Ik kan me de beelden nog voor de geest halen. We hadden natuurlijk geen kleurentelevisie, dus waarschijnlijk stel ik me het sinisterder voor dan het er uitzag, maar de beelden van die trein, in de verte, waarvan je je alleen maar kon afvragen wat daar binnenin gebeurde, waren indrukwekkend angstig. We herinnerden ons natuurlijk de gijzeling van die andere trein, twee jaar eerder, bij Wijster, waar de machinist en een al net zo onschuldige passagier waren geexecuteerd.Tegellijkertijd vond er een gijzeling plaats van het Indonesische consulaat in Amsterdam, waar ook een medewerker door de gijzelende Molukkers doodgeschoten was.

Wij noemden de gijzelaars steevast "Mislukkers". Maar het kon de spanning niet wegnemen. Wanneer was de volgende school aan de beurt? Wanneer de volgende trein? Zaten wij erin?

Het doel van terrorisme, in tegenstelling tot de meeste andere vormen van crimineel gedrag, is het veroorzaken van maatschappelijke onrust, meestal om de aandacht op een misstand te wijzen. Nou, daar zijn de kapers in dit geval uit-ste-kend in geslaagd. Onschuldige treinpassagiers en kleine kinderen. Hoe haal je het in je hoofd. 

Ik vraag me dan ook af of deze acties de Zuid-Molukse zaak goed gedaan heeft. Ik kan zeggen dat bij mij, hierdoor, de sympathie niet automatisch enorm is toegenomen. Hoe dan ook: ze zijn er in geslaagd om niet alleen de Molukse Republiek, maar ook het veiligheidsbesef te agenderen. Het terroristische aspect is geslaagd; het is een publieke zaak geworden.

Ik kan me niet anders voorstellen, sterker nog: ik vind het goed als de overheid ingrijpt als mensenlevens in gevaar zijn. De bevrijdingsacties waren dan ook vormen van gelegitimeerd geweld. Ik denk dat iedere ouder zo zijn eigen fantasieen heeft over wat er met de kapers moet gebeuren als zijn of haar kinderen op school gegeijzeld worden; ik denk dat het leger het geweld een stuk beschaafder zou toepassen dan menig ouder zou doen als hij of zij de kans kreeg. 

Een beloning voor het optreden van de soldaten van toen is dan ook zeer terecht. Niet alleen voor de rol en de betoonde moed, maar ook om - als Nederland - in het publiek aan te tonen wat de normen zijn. Het zijn niet de mariniers, maar de kapers die er een publieke zaak van maakten.

De discussie over de Molukse republiek is een heel andere. Ik kan me nog voorstellen dat men sympathie kan opbrengen voor dat streven. Maar als je onschuldige treinpassagiers en schoolkinderen hun vriijheid ontneemt en ze dreigt wat te doen, loop je het risico dat je het niet overleeft. 

De medaille voor de mariniers is dan ook zeer terecht. Die word niet alleen uitgereikt voor acties van de mariniers, maar vooral omdat we daarmee laten zien dat Nederland het gijzelen van onschuldige burgers niet tolereert. De medaille staat op zichzelf los van de RMS en is om deze twee redenen terecht verleend.

Zondag 17 Juni 2012 om 22:34

Extreem gematigd.

Tot voor kort schreef ik gastcolumns voor de voor de website van Leefbaar Rotterdam. Dat is nu afgelopen, want columns krijgen een zomerstop, en daarna gaan ze kijken hoe ze verder gaan met dit initiatief. Ik hoop dat Leefbaar Rotterdam daarna weer doorgaat met het plaatsen van columns van niet-aanhangers. Het zou jammer zijn als ze hiermee zou ophouden. Maar al te vaak worden immers platforms die ontwikkeld zijn voor het uitwisselen van ideeën, gebruikt om vooral het eigen gelijk nog maar eens te onderstrepen, en dat is een gemis.

Het initiatief van Leefbaar Rotterdam om ook kritische geluiden, andere geluiden en zelfs tegengestelde geluiden te laten horen, is dan ook een verrijking van de democratie. Immers: het gaat er in een democratie niet om gelijk te krijgen of zelfs te hebben, maar om in een continue dialoog met de omgeving proberen voor zo veel mogelijk mensen zo veel mogelijk te bereiken. En dan gaat het niet alleen om geld, maar ook om aandacht, het gevoel erbij te horen, of respect.

Het aanzetten tot een discussie is een moeilijk vak. Ik heb al ruim een maand niet geblogd. Niet omdat ik opeens een gebrek heb aan meningen. Als politicus in ruste krijgt iedereen die bij mij voor een kwartje mening wil hebben, nog steeds voor een euro ongezouten terug. Maar vooral omdat ik vind dat blogbijdragen, soms die van mijzelf ook, te voorspelbaar zijn. 

Vaak is er immers sprake van ‘reversed engineering of opinions’. Dat wil zeggen dat mensen een standpunt hebben en daar eens fijn argumenten bij gaan zoeken. Door het vervolgens andersom op te schrijven, lijkt het dan toch alsof er flink over nagedacht is.

Aangezien een gemiddelde politicus liever zijn onderbroek opeet dan (in het openbaar) van mening verandert, worden de bijdragen voorspelbaar. Je ziet dat bij sommige politici: uit angst om iets te zeggen wat in tegenspraak is met de fractielijn wordt er geen mening gegeven als er nog geen fractiestandpunt is en het fractiestandpunt uitgedragen als dat er wel is. Maar in beide gevallen wordt er met meel in de mond gesproken. En worden argumenten gezocht bij het standpunt, of -als dat er nog niet is - een uitleg waarom er nog ‘gestudeerd’ of ‘nagedacht’ moet worden.

Helemaal de dood in de pot is vervolgens wanneer het standpunt uitsluitend afhankelijk is van tactische overwegingen.

De afgelopen dagen werd dit fenomeen op twee gebieden weer pijnlijk duidelijk. Het ‘verlies’ van de Partij voor de Dieren van het wetsvoorstel voor afschaffing van de onverdoofde rituele slacht, en de ‘winst’ van het ontslaan van de weigerambtenaar.

Vanaf het begin was al duidelijk dat het wetsvoorstel van Thieme zou sneuvelen. Het was onuitvoerbaar, in tegenspraak met de Grondwet en Europese regelgeving, en bovendien discriminatoir. Het eindeloos uitmelken van de discussie droeg bij aan de (overigens terechte) aandacht voor dierenleed, maar had ook als effect dat groepen Nederlanders werden weggezet als dierenmishandelaars die niets liever doen dan op basis van waanideeën dieren doodmartelen. Van uitwisseling van ideeën, dialoog over mogelijkheden bij de rituele slacht, of het werken aan begrip voor elkaars standpunten was geen sprake. Althans vanuit de Partij voor de Dieren. Het wetsvoorstel was vooral een vehikel voor aandacht.

Bij de Joodse en Islamitische groepen die zich hebben beziggehouden met het tegengaan van het verbod is wel opluchting, maar er klinkt geen triomfantelijk hoorngeschal. Dat zou niet passend zijn. Er is immers geen overwinning, maar er is een verlies tegengehouden. En dat is toch wat anders.

Nog weer anders is het bij de triomfantelijke houding van sommige politici rondom de weigerambtenaar. Dat mensen die om hun eigen redenen geen gevoel hebben bij het huwelijk van twee mensen, ontslagen mogen gaan worden, wordt gezien als een grote overwinning. Pijnlijk en onverstandig. Ten eerste weet ik als BABS (Buitengewoon Ambtenaar Burgerlijke Stand) dat je in alle gevallen minimaal enige sympathie moet kunnen opbrengen voor de huwelijkskandidaten; anders wordt het een ongezellige boel. Ten tweede gaat -nogmaals- democratie niet over het opleggen van macht, maar om het vinden van een manier om het voor zoveel mogelijk mensen naar de zin te maken.

Extreme voorstellen, zoals het verbieden van rituele slacht of het ontslaan van ambtenaren met een bepaalde levensovertuiging horen daar niet bij; het plaats geven voor meningen die de jouwe niet zijn, wel. Ik feliciteer Leefbaar Rotterdam met hun initiatief, en ga door met het bestrijden van hun ideeën waar ik dat nodig vind.