Gedachte op woensdagochtend: kilheid en politiek.

Als ik ’s ochtends mijn dochters naar school breng, zijn er twee plaatsen waar ik standaard met angst en beven de verkeerssituatie meemaak (kruising Banstraat/Groot Hertoginnelaan en kruising Scheveningseweg/Kerkhoflaan). Ik heb er al een paar ongelukken zien gebeuren. Maar ook op andere plaatsen word je soms geconfronteerd met verkeersongeduld en -onhandigheid. Vanochtend reed een mijnheer op de Prinsessegracht door rood licht, en bijna over een fietser heen. Fietser boos, slaat (niet al te hard, maar wel hoorbaar) op de motorkap, mijnheer uit de auto helemaal  “uit z’n panty” zoals dat heet en consternatie alom.

Of het nu aan het warme weer ligt of de veranderende maatschappelijke mentaliteit weet ik niet, maar ik zie om me heen een enorme verharding van relaties tussen mensen. Sommige reacties van sommige “leefbaren” aan de ene kant, maar de kilheid komt niet alleen van “rechts”: de reactie van de SP op de (ook in mijn ogen niet sterke) campagne “wat voor eikel ben jij” is er ook een voorbeeld van: schamperen en op de persoon spelen. 

Zorgwekkend. Mensen gunnen elkaar het licht in de ogen niet, en je vraagt je af “hoe komt dat?” en “waar moet dat naartoe?”. Het doet me denken aan de waarschuwing die Berthold Brecht (1898- 1956) door het paard laat uitspreken dat struikelt en na tien minuten alleen nog uit botten bestaat. En vroeger gaven de mensen hem nog wel eens een stukje brood! Vroeger waren ze zo aardig! Help die mensen toch! Anders gebeurt iets wat je niet voor mogelijk hield! Brecht schreef het al in 1919. En inderdaad… 

Ein Pferd klagt an. (Oh Falladah, die du hangest!)

Ich zog meine Fuhre trotz meiner Schwäche.
Ich kam bis zur Frankfurter Allee.
Dort denke ich noch: O je!
Diese Schwäche! Wenn ich mich gehenlasse
Kann’s mir passieren, dass ich zusammenbreche.

Zehn Minuten später lagen nur noch
meine Knochen auf der Strasse.

Kaum war ich da nämlich zusammengebrochen
(Der Kutscher lief zum Telefon)
Da stürzten sich aus den Häusern schon
Hungrige Menschen, um ein Pfund Fleisch zu erben
Rissen mit Messern mir das Fleisch von den Knochen

Und ich lebte überhaupt noch und war
gar nicht fertig mit dem Sterben.

Aber, die kannte ich doch von früher die Leute!
Die brachten mir Säcke gegen die Fliegen doch
Schenkten mir altes Brot und ermahnten noch
Meinen Kutscher, sanft mit mir umzugehen.
Einst mir so freundlich und mir so feindlich heute!

Plötzlich waren sie wie ausgewechselt!
Ach, was war mit ihnen geschehen?

Da fragte ich mich: Was für eine Kälte
Muss über die Leute gekommen sein!
Wer schlägt da so auf sie ein
Dass sie jetzt so durch und durch erkaltet?

So helft ihnen doch! Und tut es in Bälde!
Sonst passiert euch etwas, was ihr nicht für möglich haltet!

Reageren

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.