In het veen past geen gepolder

Onlangs schreef het PvdA-gemeenteraadslid Bas van der Knaap een ingezonden artikel in het Goudse afdelingsblad Gouds Rood over de activiteiten van de PvdA-statenfractie inzake de benoemingen van waarnemend burgemeesters.

Frank van der Knaap betoogt in “Egels in het veen” het volgende: De vijf gemeenten Gouda, Waddinxveen, Moordrecht, Nieuwerkerk aan den IJssel en Zevenhuizen-Moerkapelle willen niets liever dan schaalvergroting. De bestuurders staan hier weliswaar achter, maar willen niet tot daden overgaan. Daarom is het een goed idee dat Jan Franssen waarnemend burgemeesters benoemt, en is de opstelling van Robbert Baruch en Jan Boelhouwer om daar vragen bij te stellen “niet sterk”.

Het is goed eerst te kijken naar wat Jan en ik beogen. Niet het aanstellen van waarnemend burgemeesters an sich werd namelijk door ons bekritiseerd, maar het aanstellen van waarnemend burgemeesters daar waar gemeenteraden zich ertegen hebben uitgesproken. Het is namelijk wel eens gebeurd dat er een waarnemer benoemd werd terwijl de volksvertegenwoordigers zich hadden uitgesproken voor een kroonbenoemde burgemeester. De vraag is op welke openbare discussie de beslissing van de CdK om een waarnemer te benoemen, gebaseerd is. Bestuurders mogen vinden wat ze willen, maar bestuurlijke handelingen moeten hun basis vinden in democratische beslissingen. Om het in de taal van ons beginselprogramma te zeggen: “macht heeft tegenmacht nodig”. Deze vraag is succesvol gesteld: in de staten is een motie aangenomen die Gedeputeerde Staten opdraagt de CdK in bepaalde gevallen negatief te adviseren over het aanstellen van een waarnemend burgemeester, en in de kamer is een motie aangenomen die de minister opdraagt om de circulaire zó aan te passen dat de CdK alleen nog in bepaalde gevallen tot benoeming van een waarnemer kan overgaan.

Opvallend in “Egels in het veen” is het negatieve beeld dat Van der Knaap neerzet over de lokale volksvertegenwoordigers en bestuurders. Volgens hem wordt de keuze tegen schaalvergroting vooral ingegeven door angst. Een lokale bestuurder maakt zich immers “niet populair” als hij “roept” dat een “gemeente er echt verstandig aan zou doen om te fuseren met de buren”. Deze uitspraak doet onrecht aan de volksvertegenwoordigers en bestuurders die verantwoordelijk zijn voor deze discussies. Hier zijn erbij die zich vóór samenvoeging hebben uitgesproken (zoals in de 3B-hoek, Katwijk en Teylingen) en zij die zich ertégen hebben uitgesproken. Er is zeker kwaliteitsverschil tussen volksvertegenwoordigers, maar het is vooral de taak van de lokale partijgenoten om daar een mening over te hebben. De discussies die de statenfractie voerde met partijgenoten uit gebieden waar bestuurlijke discussies aan de orde zijn, waren vooral inhoudelijk van aard, en mensen wisten erg goed waar ze over spraken. Van der Knaap vervolgt: “En dus draaien de gemeenten heel voorzichtig om elkaar heen. Als egeltjes die héél voorzichtig aan elkaar snuffelen. Maar wanneer er één tot daden wil overgaan, worden de meteen de stekels opgezet. Toch moet de boodschap eerlijk worden gebracht. De inwoners van de gemeenten hebben er recht op. Geen zand in de ogen strooien, geen koppen in het zand steken, maar eerlijk durven zeggen wat er moet gebeuren. Kennelijk is daar veel moed voor nodig”. Dat spreekt mij aan.

Maar welke partij moet daarin leidend zijn? In de staten hebben we tegenover gesteld dat herindelingen van onderop moeten komen. Daar zijn goede redenen voor. Ten eerste kan een gemeente zelf het beste bepalen of een gemeente voldoende bestuurskracht heeft. De volksvertegenwoordigers zien immers zelf het snelst waar het niet goed loopt. Ten tweede ligt de verantwoordelijkheid voor de keuzes die de gemeentelijk politiek maakt bij de gemeentelijke bestuurders. Als gemeentelijke bestuurders zien dat er grote problemen zijn, zijn zij de eerst aangewezenen om aan hun inwoners uit te leggen welke keuzes er gemaakt zijn,en welke gemaakt moeten worden. Ten derde heeft de provincie weliswaar de taak om de bestuurskracht van gemeenten te controleren en verbeteren, maar moet een discussie over die bestuurskracht, en de keuzes die eraan ten grondslag liggen, vooral lokaal gevoerd worden. Ten vierde zijn er veel manieren om aan bestuurlijke uitdagingen het hoofd te bieden. Fuseren of meedoen in een Gemeenschappelijke Regeling zijn maar twee van de mogelijkheden, en het maken van keuzes daarin is nu bij uitstek een lokaal-politieke aangelegenheid waar andere overheden zich terughoudend in moeten opstellen.

Binnen het duale bestel is het nu juist de taak van de lokale volksvertegenwoordiging om stevige standpunten op de zaak te ontwikkelen. De komende verkiezingen zijn een goede aanleiding om duidelijk te zeggen waar het op staat, en het ware goed als de gemeentelijke verkiezingsprogramma´s geen onduidelijkheid laten bestaan over waar het naartoe moet.

De radicale keuze voor herindelingen van onderop is geen keuze tegen schaalvergroting. In discussies over het stimuleren van regionale ontwikkelingen stelt de PvdA-statenfractie telkens twee vragen voorop: “Wat betekent het uiteindelijk voor de burger?” en “Hoe hou je het democratisch?”. Daarbuiten bestaan weinig taboes.

Reacties (1) Reageer

  1. Beste Robbert,

    Een fantastische reactie van jou met goeie argumenten. Bas van der Knaap uit Gouda zit volgens mij nog in die oude politiek met dat bekende machtsdenken.

    groet,
    Henk Goes
    PvdA Rijnwoude

Reageer op Henk Goes Reactie annuleren

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.