Krachtwijken: Europa en de stad

European Social FundOm Europese problemen op een Europese schaal op te lossen moeten stad en Europese Unie beter samenwerken. Er zijn vele Europese subsidies om de steden te versterken, maar die moeten alleen gebruikt worden om de inwoners van de stad te helpen, niet omdat die subsidies er nu eenmaal zijn en het geld op moet.

Wie zich afvroeg of de nieuwe directeur van het SCP, Kim Putters, voldoende afstand kon bewaren van de politieke partij waarvoor hij in de Senaat zat wordt op zijn wenken bediend. Eind juli kwam een onderzoek uit naar één van de meest zichtbare onderdelen van het Kabinet Balkenende IV: het krachtwijkenbeleid. De conclusie is niet mals:

“De conclusie van dit onderzoek kan niet anders zijn dan dat het krachtwijkenbeleid geen onderscheidende, gunstige leefbaarheidseffecten heeft gesorteerd”.

In dit onderzoek over het aanpakken van ‘krachtwijken’ werd korte metten gemaakt met beleid dat vooral dankzij de PvdA tot stand was gekomen en het is dan ook niet verwonderlijk dat nogal wat politici met dit onderzoek aan de haal zijn gegaan. Politieke redenen met een hoog “zie je wel ik heb het altijd al gezegd”- gehalte, en ik verdenk een enkeling ervan het onderzoek zelfs niet of niet helemaal gelezen te hebben; anders waren termen als regressiediscontinuïteitdesign toch wel opgepikt.

Hoewel het goed is dat het onderzoek er is, en vaak de vinger op de zere plek legt, schiet het zijn doel voorbij. Zoals wel vaker het geval is bij dergelijke onderzoeken, kijkt het wel naar de wijken, en de processen, maar nauwelijks naar de mensen die er wonen. Dat is jammer. De problemen zijn namelijk complex, maar door de bewoners centraal te stellen in plaats van de wijken, word je vanzelf optimistischer.

Het is zo moeilijk om oude wijken aan te pakken omdat er drie soorten problemen zijn, die elkaar versterken en niet onafhankelijk van elkaar aan te pakken zijn.

  1. Ten eerste is de fysieke infrastructuur vaak aan vernieuwing toe. De wegen, het rioolstelsel, de aanleg, de huizen zijn vaak aangelegd of gebouwd in een tijd dat er minder aandacht was voor kwaliteit. Het zijn niet voor niets vaak de “oude” wijken.
  2. Het tweede probleem is de economische infrastructuur; industrie is uit de buurt verdwenen, werkgelegenheid in de wijk is laag en winkels die zich richten op hogere inkomens halen het niet.
  3. Het derde probleem is dat de sociale infrastructuur hapert; veel diversiteit in bevolkingsgroepen, relatief lage cohesie, relatief hoge criminaliteit, relatief veel gezondheidsproblemen. Het gebeurt vaak dat als het ene probleem wordt aangepakt, het andere soort probleem ervoor zorgt dat het geen succes wordt.

Een voorbeeld van hoe de problemen elkaar versterken: mensen met een wat hoger inkomen willen graag bij een aardige supermarkt in de buurt wonen; en die aardige supermarkt redt het alleen als er voldoende mensen daar hun inkopen gaan doen. In Rotterdam zie je dat rond het Afrikaanderplein waar restaurants die met veel subsidiegeld daar neergezet werden, al snel failliet gingen omdat ze onvoldoende aansloten bij de wensen van de bevolking.

De grenzen aan subsidie

Wat te doen? Het slechtste idee is om er zomaar subsidiegeld overheen te smeren. Subsidiegeld is een medicijn. Als je het niet op de juiste manier gebruikt is het nutteloos, of erger: gif. Ik heb in Rotterdam gezien hoe het fout kan gaan. Indertijd heb ik gezegd dat bij de aanpak “Pact op Zuid”, waarbij 1 miljard Euro uitgegeven zou worden aan verbeteringen aan Rotterdam-Zuid, 1/3e van de subsidies weggegooid geld is, 1/3e bestaande projecten betaalt die ook in andere wijken gesubsidieerd worden en 1/3e kan renderen.

Vooral het gedeelte “weggegooid geld” is onverteerbaar; er zijn nogal wat instituten, stichtingen en ZZP-ers die zien dat er subsidies te vergeven zijn en handig zijn in het schrijven van offertes die aansluiten bij de subsidiecriteria en goede bestuurlijke contacten hebben en zo opdrachten vergaren, terwijl het uitgangspunt zou moeten zijn dat de noden van de wijk voorop zouden staan.

Doorstroming

Om eerlijk naar die noden te kijken, moet je niet alleen naar de wijken kijken, maar naar de mensen die er wonen. Dan zie je dat er daar starters en immigranten wonen, omdat daar de laagste huren zijn. Je ziet dan ook in deze wijken de migrantenstromen elkaar opvolgen. In Rotterdam-Zuid waren de eerste migranten Zeeuwen en Brabanders. Aan het begin van de 20e eeuw kwamen Chinezen als stakingsbreker naar de stad. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen Italianen en Grieken; tijdens de groei van de haven was het voor havenbaronnen aantrekkelijk om goedkope arbeidskrachten uit Turkije en Marokko te halen en nu zijn het vooral Bulgaren en Polen die er zich vestigen.

Maar: als mensen kunnen, verhuizen ze. In de achterstandswijken is veel doorstroming. Jaarlijks vertrekt 11% van de bewoners. Hun plaats wordt weer ingenomen door nieuwe mensen met lage inkomens. Kortom: als je naar de wijken gaat word je verdrietig, maar als je naar de mensen kijkt is er reden voor meer optimisme.

Het is de verantwoordelijkheid van de Stedelijke en Nationale overheid om ervoor te zorgen dat mensen goed kunnen leven: dat er onderwijs is, dat er geen gaten in de weg zitten en dat de lantaarnpalen het doen.

Europese Verantwoordelijkheid

De komst van de jongste groep arbeidsmigranten is een gevolg van de mogelijkheden die Europese wetgeving biedt. Het is dan ook een Europese verantwoordelijkheid om de negatieve neveneffecten te repareren. Hiervoor moeten lokale bestuurders samenwerken met de Europese Unie. Een van de mogelijkheden is door meer gebruik te maken van specifieke Europese subsidies, mits die gericht en goed worden ingezet.

Het ESF (European Social Fund) is het belangrijkste Europese instrument om werkgelegenheid te ondersteunen, mensen aan beter werk te helpen en te zorgen voor eerlijkere arbeidskansen. De jaarlijkse ESF-financiering van 10 miljard euro verbetert de kansen van miljoenen Europeanen, met name van hen die moeilijk werk vinden. Nederland behoort tot de laagste ontvangers per hoofd van de bevolking van het Europees Sociaal Fonds. Net als in Denemarken en Luxemburg worden hier enkele tientallen Euro’s per hoofd van de bevolking aan uitgegeven. In Nederland zo’n € 50 per hoofd van de bevolking. In Portugal is dat €650, en daarna volgen Griekenland (€389), Tsjechië (€360), Litouwen (€311) en Estland (€300).

De steden kunnen meer profiteren van ESF en andere Europese fondsen. In Belgie gebeurt dat op grotere schaal en niet onsuccesvol. In Kortrijk (een stad die in omvang en problematiek te vergelijken is met Enschede), zijn met Europese subsidies centra opgezet voor starters en kleinschalige bedrijvigheid.

De voorwaarde is wel dat lokale bestuurders er actief achteraan gaan, er bovenop zitten en ervoor zorgen dat er daadwerkelijk wat mee gebeurt, en dat het ingezet wordt voor werk, werk, werk en werk, en dat tegelijkertijd stap voor stap, steen voor steen, weg voor weg, huis voor huis, de andere problemen aangepakt worden, en kijken naar wat het betekent voor de bewoners en zich realiseren dat structurele verbetering van de wijken lang, lang kan duren. Maar goed: het is niet de verantwoordelijkheid van politici om het werk af te maken, maar wel om problemen te benoemen, en er wat aan te doen. Een sociaal Europa moet voor iedereen werken: ook voor de bewoners van de oude wijken.

De foto op de blog-pagina is gemaakt door FaceMePLS en de foto bovenaan dit artikel door Ell Brown

Blijf op de hoogte

Vul je e-mailadres in en ontvang campagneupdates!

Reageren

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.