Lichamelijk contact: verplicht zoenen met Willem Alexander?

In de Rode Hoed

Tijdens het debat in de Rode Hoed hadden we het ook nog even over die vreemde mijnheer Enait. Hij wil niet opstaan voor rechters omdat “alle mensen gelijk zijn”. Iemand in het publiek zag dat als teken van de toenemende Islamisering van de maatschappij. Ik ben daar wat minder bang voor; gedurende de barensweeën van de multiculturele samenleving zullen er aan de ene kant extreme figuren als deze Enait zijn, aan de andere kant extreme anti-moslims, maar zal -hopelijk- het grootste gedeelte van de mensen zich gedragen als het grootste gedeelte van de mensen zich doorgaans gedraagt: redelijk, met een gemiddelde mening die soms een beetje de ene kant op neigt, en dan weer een keertje de andere kant. Dat wil niet zeggen dat je de extreme meningen niet moet bespreken/aanpakken/verbieden/bestraffen/bedialogiseren *), maar je moet je ook niet gek laten maken.

Deze wartaal sprekende en zichzelf Mohammed Faizel Ali bin Mohammed Racheed bin Mohammed Karamullah bin Mohammed Enait noemende mijnheer gaat er helemaal aan voorbij dat als je opstaat voor rechters, je dat niet doet omdat je zou denken dat die rechters meer waard zijn. Je doet dat voor het instituut dat zij vertegenwoordigen: de rechterlijke macht. Opstaan voor rechters betekent zichtbaar waarde hechten aan de rechtspraak.

Zo is het ook met handen geven aan ministers. Ik kan me best wat voorstellen bij beperkingen van begroetingsrituelen. Zo zoen ik zelf niet graag mannen (wat in sommige culturen toch als normaal beschouwd wordt), en vind ik het overdreven om -als je iemand net 5 minuten kent- meteen al de begroeting meteen die verplichte 3 zoenen te geven (ibid.). Maar ik vind weer wel dat je een Minister of Koningin een hand moet geven als die aangeboden wordt. Vooral omdat je daarmee niet zozeer die mens als mens ontmoet, maar in haar functie. Logischerwijs zou hieruit kunnen volgen dat als onze Kroonprins mij zou willen begroeten met een zoen, ik dat moeten accepteren. Gelukkig lijkt me die situatie hypothetisch, vooral omdat – en daar komt een zwak punt in dit betoog – het zoenen van mannen onderling géén onderdeel uitmaakt van de normale omgangsvormen en het geven van een hand wel. En daarmee raak je aan een ander belangrijk punt: ook al zijn er bepaalde dingen “normaal”; zoals bij alle handelingen tussen mensen werkt het beter als ze door verleiding tot stand komen, dan door dwang.

Maar hoe dan ook: hier zie je maar dat symboliek belangrijk is. Symboliek gaat immers over normen. Daarom is die discussie over de 4-mei-herdenking zo belangrijk. Ambassadeur Läufer wil daar bij zijn, want, zegt hij,  de relaties tussen Duitsland en Nederland zijn sterk verbeterd. Hij is de laatste tijd al bij meer herdenkingen over de Tweede Wereldoorlog geweest en daarbij merkt hij vrijwel geen weerstand meer.

Dat mag zo zijn, maar tijdens die bijeenkomst wordt stilgestaan bij iets waar Duitsland toch een *ahum* niet onbelangrijke rol had. De conseqenties van die rol zijn voor veel mensen nog dagelijks voelbaar, en voor Nederland een belangrijk nationaal trauma en nationale les. Al in het najaar van 1945 werd gezegd dat “dat gezeur over die oorlog maar eens afgelopen moest zijn”.

Ik kan me heel wat voorstellen bij de stilte die de ambassadeur tussen 20.00 en 20.02 uur wil beleven. De ambassadeur is ongetwijfeld een beminnelijke man en de weerstand tegen individuele Duitsers is zeker afgenomen, maar op de Nationale herdenking een vertegenwoordiger van het land neerzetten als symbool van -tsja, van wat eigenlijk?- is een brug te ver.

Daarom mag de ambassadeur van Duitsland dan ook best op de 4 mei-bijeenkomst op de Dam komen; als hij maar tussen de gewone mensen gaat staan. Of tussen de andere ambassadeurs, als die ook uitgenodigd worden. Maar de symboliek van de herdenking vervangen door de symboliek van “wat zijn we nu toch een grote vrienden” is niet correct.

*) streep door waar mogelijk

Reageren

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.